Vraagstellingstypen op basis
van het conatieve ontwikkelingsaspect

 

Ieder kind is uniek. Het conatieve ontwikkelingsaspect is gericht op de unieke afstemming van persoonsgebonden eigenschappen van het kind met zijn omgeving.
De conatieve onwikkeling komt echter in gevaar als de omgeving de eigenheid van het kind niet accepteert en aan het kind eisen stelt die niet overeenkomstig zijn eigen wensen en behoeften zijn. Indien deze afstemming onder druk komt te staan onderscheiden we veelal een tweetal vraagstellingsbehoeften: het leren profileren en het leren harmoniëren.

 

Voor een docent betekent dit dat hij zicht moet krijgen op die typische persoonlijkheidseigenschappen (‘traits’) van het kind. Een middel dat hiervoor ingezet kan worden is het kwadrantenmodel van Eysenck. In dit model worden een viertal persoonlijkheidstypologieën beschreven. Vervolgens worden in het handboek mogelijkheden aangereikt binnen de context van muziekbeoefening om vanuit een congruente (docent)benadering aan te sluiten bij de eigenheid van het kind. Vanuit het gedachtegoed van Eysenck is vervolgens door Goldberg (1992) een indeling in vijf dimensies (Big Five model) ontwikkeld.

 

 

 

Big Five